Kort geleden ging ik verhuizen. Ik stond daarmee op het punt om alle spullen die ik tot op dat moment in mijn leven had verzameld minstens twee keer door mijn handen te laten gaan. Geen beter moment dus om direct maar zo veel mogelijk dingen weg te gooien. Wat je weggooit hoef je immers niet meer in te pakken en mee te zeulen. Dacht ik. Maar het uitzoeken van die spullen bleek een nogal intensieve bezigheid.

Wat het ingewikkeld maakte was dat de aanblik van elk boek, elke foto, elk krukje of kinderbestekje direct een stroom aan onbeheersbare herinneringen en wilde associaties veroorzaakte. Heel mijn leven kwam langs. En of ik wilde of niet, ik kreeg meer emoties te verstouwen dan op een gemiddelde familiebegrafenis. Het bleek dus helemaal niet zo eenvoudig om die laatste tastbare herinnering aan een langgekoesterde jeugdliefde in een zwarte Komo-zak aan de stoeprand te zetten.

De vraag: ‘bewaren of weggooien?’ koste me veel te veel tijd. En dat was tijd die ik eigenlijk moest besteden aan  het uitzoeken van gordijnstof, het witten van plafonds en het schilderen van plinten. Uiteindelijk propte ik alles ongezien in dozen en huurde een opslag.

Inmiddels heb ik het heel erg naar mijn zin in mijn nieuwe huis. Alles heeft een plekje, maar in de opslag staan nog steeds die dozen. Veel van het verleden dat erin zit hoeft van mij helemaal niet meer mee naar de toekomst. En het heeft ook geen plaats meer in het heden. Het is ballast geworden.

Eigenlijk is dit dus het moment: alles moet weg. En nu echt. De verhuisdozen van Pandora moeten open.