Volgend jaar is er voor het eerst in 35 jaar weer een Grote Prijs van Nederland op het circuit van Zandvoort. Ik was zelf bij de races in 1983 en 1984 en ik zal het nooit vergeten. In 1983 ploegde ik de hele middag met mijn Ferrari-vlag door het duinterrein om René Arnoux en Patrick Tambay een dubbele overwinning te zien behalen voor de Scuderia en een jaar later had ik al mijn spaargeld er tegenaan gegooid om paddockkaarten voor de kwalificatietraining te kopen. We liepen ergens verkeerd en stonden ineens tussen de Ferrari-monteurs in de pits. En het is onvoorstelbaar voor iemand die de sport tegenwoordig een beetje volgt, maar we werden niet eens weggestuurd. Een dag later zat ik op de tribune en zag live hoe Alain Prost als eerste werd afgevlagd. Het waren andere tijden. En toch zijn dat niet de beelden die het eerst in me opkomen als ik aan Zandvoort denk. Dat zijn de afschrikwekkende beelden van de race van 1973, tien jaar eerder.

De race is nog maar een paar ronden bezig. Op televisie dansen de brede wagens met dikke achterbanden en imposante vleugels brullend over het glooiende circuit van Zandvoort. Op de duintoppen en de tribunes zitten duizenden fans die de coureurs enthousiast toejuichen. De John Player Special-Lotus van Ronnie Peterson neemt al afstand van de anderen. Tweevoudig wereldkampioen Jackie Stewart, Carlos Pace en François Cevert volgen. De rondetijden worden sneller en sneller. Dan komt er met hoge snelheid van rechts ineens een vormeloze massa het televisiebeeld in geschoven. Een spoor van brandende brokstukken blijft op de baan achter en wat de resten van een Formule 1-auto moeten zijn komt tot stilstand tegen de vangrails. Het is niet eens te zien wat de voor- en wat de achterkant is, maar het brand als een fakkel. De commentator: ‘We hebben een brand. Er is waarschijnlijk een wagen uit gevlogen vlak voor de Panoramabocht.’

Er hangen flarden rook over de baan. Terwijl de race gewoon doorgaat steekt een coureur de baan over. Hij rent langs een los wiel in de berm, enkele afgerukte onderdelen en een klein brandje. Hij heeft zijn helm nog op en sprint nu op volle snelheid langs de vangrails. Zeker twee-, driehonderd meter. ‘Daar zien we de coureur.’ Hij komt aan bij het wrak en maakt wilde armgebaren. Nu is duidelijk te zien dat de brandende wagen op zijn kant ligt. De coureur, die later David Purley zal blijken te zijn, begint uit alle macht tegen het voorwiel te duwen in een poging de wagen te kantelen. Pas nu komen er van de overkant van de baan twee andere mannen aan gelopen. Ze moeten uitkijken voor de langsrazende Formule 1-wagens en lopen dan op een drafje om de brandende wagen heen. Ze bukken zich iets om onder het wrak te kunnen kijken. Omdat hij geen hulp krijgt, houdt Purley ermee op, er kwam toch geen beweging in de wagen. Hij steekt de baan weer over en rent het beeld uit. Ondertussen wordt de brand steeds heviger. De andere mannen, eentje met een politiepet op en de andere met een geel hesje aan, staan er een beetje beteuterd bij te kijken. Dan komt Purley struikelend terug met een brandblusser. Nog twee anderen rennen achter hem aan. Er staan nu vier man toe te kijken hoe David Purley in zijn wanhoop probeert om de brandblusser aan de praat te krijgen. Uiteindelijk draait iemand de kraan voor hem open en hij spuit het blusschuim in de vlammen. Het haalt weinig uit. Iemand maakt handgebaren naar de aanstormende wagens om de coureurs tot voorzichtigheid te manen, maar dat heeft geen effect. De commentator merkt droog op: ‘We weten niet of er nog een man in is. Vermoedelijk niet.’

Maar de beelden vertellen iets heel anders. Het blussen helpt niet en hoe hoger de vlammen uit het wrak slaan des te meer nemen de baancommissarissen afstand van de eenzame Purley met zijn blussertje. Moedeloos laat hij het apparaat zakken. Zijn hele lichaam straalt wanhoop en machteloosheid uit. De brandblusser is inmiddels leeg. Het lijkt erop alsof de anderen alleen maar apathischer worden. Een van hen gooit de lege brandblusser over de vangrails de duinen in en loopt weg. Purley gebaart weer dat ze moeten helpen om de wagen om te duwen maar ze kijken elkaar vertwijfeld aan. Pas als Purley zelf weer tegen het wrak begint te duwen, lopen er twee naar hem toe om te helpen maar zodra ze de vlammen naderen, deinzen ze terug. Purley begint wanhopig naar de tribune te zwaaien. Er moet toch ergens iemand zijn die hem kan helpen? ‘Ik heb de indruk, Frans, dat er nog wel iemand in zit.’, zegt de commentator.

De regie lijkt zich te schamen en schakelt weg naar een totaalshot. Een enorme rookkolom stijgt op boven de duinen. Terug op de plaats van het ongeluk laat Purley zich moegestreden wegvoeren van het brandende wrak, tot hij zich realiseert dat hij zijn collega niet in de steek kan laten. Hij rukt zich weer los, begint wild om zich heen te slaan en loopt een paar passen terug naar de brand. Dan laat hij moedeloos zijn armen langs zijn lichaam zakken. Purley ziet dat nog steeds niemand zich met het wrak bemoeit. Ze kijken gewoon met z’n allen toe hoe de wagen met zijn collega erin uitbrandt. Enkele toeschouwers zijn over het hek geklommen, lopen naar Purley toe en proberen hem te troosten. Anderen lopen naar het brandende wrak terwijl de camera afzwaait naar een raceauto, die enkele honderden meters terug staat geparkeerd. De commentator trekt eindelijk de conclusie: ‘De man die we hier zien is David Purley, dat was de coureur die die botsing heeft gehad en die probeerde de man uit de andere wagen te bevrijden.’

De rookontwikkeling is enorm. De aanvankelijk witte rook wordt nu dik en zwart. De banden moeten nu ook in brand staan. Het zicht op de baan is ondertussen minimaal, maar toch gaat de race door. Er komen nog steeds wagens langs. Allemaal op snelheid. Niemand stopt. We zijn inmiddels minuten verder en dan pas komt er stapvoets door de berm een brandweerwagen aangereden. ‘Ja, dat is natuurlijk veel te laat, als er nu pas die brandweer bij moet komen met asbestpakken.’

De regie schakelt over naar de andere kant van het circuit, waar de race nog in volle gang is. Op totaalshots is de enorme rookkolom boven de duinen zichtbaar en als de regie terugschakelt naar de plaats van het ongeluk, staan er inmiddels mannen in asbestpakken rond het wrak. Onder hen David Purley. Midden op de baan richt iemand de brandslang op het wrak, andere brandweerlieden rollen de rest van de slangen uit. De brand wordt snel gedoofd. Dan pas durven er mensen naar het wrak te lopen en zes, zeven man duwen het om.‘De wagen wordt nu dan eindelijk gekanteld. Dat had natuurlijk meteen moeten gebeuren.’ Iemand legt een deken over de wagen. Er staan behalve brandweerlieden ook een handjevol toeschouwers omheen. Een politieman met een hond steekt het circuit over. De regie schakelt naar de wagen van Purley, die rustig terug rijdt naar de pits. De andere deelnemers scheuren in volle vaart langs hem. De verslaggever meldt zich bij de commentator: ‘Frans Henrichs?’

‘Ja, Henk Terlingen?’

Henk Terlingen klinkt buiten adem: ‘Ja Frans, ik ben eh… net bij het ongeluk geweest.’

‘Ja?’

‘De man is dood. Ik heb het gezien, het is walgelijk.’ Henk Terlingen hijgt nog even uit en vervolgt dan: ‘Ik dacht dat het de STP-March van Williamson was. Ik weet het eigenlijk wel zeker. Hij is levend verbrand in zijn auto.’

Heel de wereld was getuige geweest van de wreedheid van de autosport. De wanhoop van David Purley die zijn collega Roger Williamson probeerde te redden stond op ieders netvlies. Hoe kon het dat niemand hem hielp? Waarom was er pas na minuten een brandweerwagen ter plekke? Hoe kon de wedstrijdleiding de Grand Prix gewoon door laten gaan? Waren de risico’s van de Formule 1 nog wel van deze tijd?

Twee jaar eerder was Zandvoort ook al het toneel geweest van een dodelijk ongeluk. Piers Courage was met zijn De Tomaso van de baan geraakt en over de kop geslagen. Ook zijn bolide vatte vlam, maar er was bijna niemand in de buurt om het ongeluk te registreren. Het was een eerste aanwijzing dat het circuit van Zandvoort, wellicht toch te gevaarlijk was voor de moderne Formule 1. In 1971 werd er nog een Grand Prix verreden, maar in 1972 stond de Grote Prijs van Nederland niet langer op de kalender van het wereldkampioenschap. Onder leiding van Jackie Stewart was de rijdersvakbond in opstand gekomen en die eiste verregaande veiligheidsmaatregelen. Ze stonden met name op de plaatsing van vangrails die tot dan toe op Zandvoort geheel ontbraken.

Toen het Formule 1-circus in 1972 wegbleef, dreigde sluiting van het duincircuit. De baan was verouderd. Het onkruid kwam op sommige plaatsen door het asfalt heen. Autosportminnend Nederland stak de koppen bij elkaar en wist financiering bij elkaar te harken om het circuit te vernieuwen. Het wegdek zou opnieuw worden geasfalteerd en verbreed, er werden vangrails langs de baan geplaatst, het pitscomplex werd verbouwd en er kwam een geheel nieuwe wedstrijdtoren, van waaruit de wedstrijdleiding het hele parkoers kon overzien. Jackie Stewart kwam naar Nederland om de verbeteringen te inspecteren. Er was nog wel het een en ander op het circuit aan te merken, maar over het algemeen was hij tevreden. Groen licht. Nederland kreeg zijn Grote Prijs terug en het circuit van Zandvoort had weer bestaansrecht.

Meer dan een jaar had de organisatie toe gewerkt naar de derde zondag van juli 1973. De dag dat de zon weer over het circuit zou schijnen en er de files zouden staan omdat er gereden werd op Zandvoort. De duinen waren voor één keer voller dan de stranden, zelfs op een zomerse dag als deze. Er deed ook weer een Nederlander mee: Gijs van Lennep. Het kon niet op. Tachtigduizend man stroomde door de poorten om het spektakel van dichtbij te zien en voor het eerst werd de race live op televisie uitgezonden. Het moest voor de organisatie een glorieuze dag worden.

Er heerste een ontspannen sfeer tijdens de korte warm-up training op de ochtend voor de race. Een klein contingent Britse aanstormende talenten leunde lachend tegen de pitsmuur. Ze raceten al jaren tegen elkaar op nationale circuits als Thruxton, Snetterton, Donington, Silverstone en Brands Hatch. Ze waren met elkaar opgegroeid. Aan het begin van hun carrières bestreden ze elkaar met alles wat maar kon rijden, van Mini Coopers tot oude formulewagens. Daarna kwamen ze elkaar weer tegen in de verschillende eenzitterklassen door heel Europa: de Formule 3, de Formule 2 en nu eindelijk de Formule 1. Onderweg waren er velen afgevallen. Sommigen vanwege geldgebrek, anderen door een gebrek aan geluk of talent. Maar deze jongens hadden het gehaald.

James Hunt zag er met zijn lange blonde haren en zijn ontwapenende glimlach uit als een jonge popster. Hij was vijfentwintig en de revelatie van het seizoen sinds hij twee weken eerder voor eigen publiek op Silverstone vierde was geworden. Het was pas zijn derde Grote Prijs en velen hoopten dat hij zijn reputatie van brokkenpiloot en rauwdouwer van zich had afgeschud. ‘Hunt the Shunt’ was zijn bijnaam, omdat hij veel te wild was en constant crashte. Zijn flamboyante uitstraling maakte hem zeer geliefd bij het publiek: razendsnel in de wagen en een playboy erbuiten. En hij kon zich direct meten met de besten. Voor de race op Zandvoort had hij zijn wagen op de derde startrij geplaatst.

David Purley was al zevenentwintig. Een typische Engelsman. Hij zou zo auditie kunnen doen voor James Bond. Niet alleen vanwege zijn Britse uitstraling maar ook vanwege zijn fysiek. Hij was een ex-marinier en had nog gediend in Aden, waar het leger tevergeefs had geprobeerd de Britse kolonie in het gareel te houden. Zijn vader bezat een koelkastenfabriek en met diens sponsorgeld was hij gaan racen. Zandvoort werd ook zíjn derde Grand Prix. Hij had zich als eenentwintigste gekwalificeerd.

Twee plaatsen voor Purley stond Roger Williamson. Een ietwat gedrongen, vrolijke vent met rossig haar, een gezicht vol sproeten en een charmante kop. Voor hem was Zandvoort pas zijn tweede race in de hoogste klasse, maar hij werd gezien als een van de grootste natuurlijke talenten van zijn generatie. In tegenstelling tot David Purley was hij niet van rijke komaf en hij had het wat moeilijker gehad om zijn carrière te financieren. Maar hij viel op door zijn doorzettingsvermogen. Het publiek had snel een passende bijnaam: ‘Sideways Williamson’, omdat hij zo vaak dwars ging; zijn achterwielen hadden altijd meer haast dan de voorwielen. Dat trok de aandacht van Tom Wheatcroft, een onverbeterlijke liefhebber van de sport die zijn fortuin had gemaakt in onroerend goed en af en toe jong talent op weg hielp. Hij werd sponsor van Williamson. Samen hadden ze de lagere klassen doorlopen en Zandvoort was pas zijn tweede Grand Prix. Roger wilde dolgraag bewijzen dat hij in de Formule 1 thuishoorde. James Hunt was na zijn vierde plaats op Silverstone ineens de lieveling van de Britse pers en Roger had zich in de pits staan verbijten. Hij was in de Formule 3 altijd sneller dan Hunt geweest, maar daarover las je nu niks meer in de krant. Hij nam zich voor om op Zandvoort van zich te laten horen.

Er was nog een andere reden waarom Roger Williamson erop gebrand was goed te presteren op Zandvoort. Ken Tyrrell had hem gepolst voor zijn renstal. Tyrrell was niet zomaar iemand, de Britse constructeur was twee jaar eerder zijn eigen Formule 1-wagens gaan bouwen en dat deed hij zo goed dat hij er meteen wereldkampioen mee was geworden, mede dankzij zijn trouwe eerste rijder Jackie Stewart. Stewart had het record aantal overwinningen van Jim Clark geëvenaard met vijfentwintig Grand Prix-zeges. Hij had echter besloten om aan het eind van 1973 te stoppen met racen, maar dat wist nog bijna niemand. En nu had Ken Tyrrell Williamson dus gevraagd of hij Stewart wilde vervangen. Het contract lag klaar, alleen zijn handtekening moest er nog onder.

Vlak voor de Grand Prix van Nederland ging Roger bij Tom Wheatcroft langs. Dat deed hij wel vaker. Hij hing een beetje rond op diens kantoor en ondertussen praatten de twee honderduit over autosport. Roger ging met Tom mee naar huis en daar aten ze wat. Pas na het BBC-journaal van negen uur kwam het hoge woord eruit: ‘Luister Tom, ik ben bang.’ Tom was hoogst verbaasd, zo kende hij zijn pupil niet. Maar Roger meende het: ‘Ik zou graag bij jou blijven en voor jouw team rijden.’

Tom vond Rogers loyaliteit aandoenlijk, maar overtuigde de coureur ervan dat hij hem alleen maar zou ophouden in zijn ontwikkeling. Hij kon Roger nooit bieden wat Tyrrell te bieden had. Samen zouden ze dit seizoen afmaken en dan zou Roger Williamson voor Tyrrell gaan rijden. Vooraan. Om Grands Prix te winnen. Dat was in een March echt onmogelijk.

Roger had zijn vriendin Jacqui meegenomen naar Zandvoort. Ze hadden amper een jaar verkering. Net genoeg om vertrouwd te zijn met elkaar en kort genoeg om nog geen ruzies te hebben. Nog geen spoor van irritaties of sleur. Ze hadden elkaar ontmoet op een motorshow in Londen. Roger was daar een van de attracties; hij liet zich bewonderen en deelde handtekeningen uit. Kon het publiek ook eens zien hoe een Brits autosporttalent er in het echt uitzag. Jacqui had een bureautje dat was ingehuurd om meiden te regelen die bevallig auto’s konden aanprijzen en zichzelf in bikini over de motorkap konden draperen. Jacqui had geen enkele behoefte om dat zelf te doen, maar ging wel met de hoofdprijs naar huis. Alle jonge schaargeklede modelletjes hadden het nakijken.

Zoveel als haar werk toeliet, ging Jacqui mee naar de races. Op Zandvoort zat ze in de bus van Wheatcroft en keek toe hoe Roger zijn brandwerende overall aantrok. Op de kleine draagbare televisie begon de live uitzending van de race. Jacqui dronk een bak koffie en even was het net of ze aan het kamperen waren. Dwars door de Eurovisie-tune heen vertelde Roger met ondeugende pretoogjes dat hij eindelijk een mooie zomerjas had gezien. Ze besloten die na de race samen te gaan kopen.

Roger kende geen angst en misschien bewonderde Jacqui hem daar wel om. Hij wist natuurlijk ook wel dat Formule 1 gevaarlijk was, dat wist iedereen, maar ongelukken overkwamen altijd de anderen, nooit jezelf. Hij legde haar regelmatig uit dat hij zich op een circuit veel veiliger voelde dan op de openbare weg. Op het circuit was iedereen op en top geconcentreerd met de race bezig. Iedereen reed dezelfde kant op en het waren allemaal professionele rijders. In het verkeer, daarentegen, konden de raarste dingen gebeuren. Dingen waar je nooit op bedacht was: overstekende peuters, vroegremmende omaatjes of losgebroken honden. Om maar wat te noemen.

In zijn korte carrière had ook Roger al dodelijke ongelukken meegemaakt. Hij deed mee aan een Formule 3-race op de dag dat Jo Siffert verongelukte op Brands Hatch, en de dood kwam nog dichterbij toen zijn vriend Gerry Birrell op het circuit van Rouen-les-Essarts in Frankrijk rechtdoor schoot tijdens een training voor de Formule 2. Door de impact van de klap werd de vangrail omhooggeduwd, en de wagen van Birrell schoot er half onderdoor. Hij was op slag dood. Dat was een paar weken voor Zandvoort gebeurd, maar Roger geloofde niet dat iets dergelijks hem ooit zou overkomen. Het enige waar hij echt bang voor was, had hij Jacqui verteld, was om levend te verbranden. Van die gedachte kon hij soms zwetend wakker worden.

Jacqui liep met Roger mee naar de auto in de paddock. Hij zette zijn helm op, stapte in om naar de startopstelling te rijden, maar de March wil niet starten. De tijd begon te dringen en Roger raakte op van de zenuwen. Op Silverstone was hij ook al bloednerveus geweest, daar miste hij bijna de start omdat hij op het laatste moment nog even moest plassen. De omroeper riep voor de laatste maal de deelnemers naar de start. De monteurs werkten koortsachtig om weer leven in de motor te krijgen. Het leek minuten te duren, maar toen sloeg de motor eindelijk aan en rolde de wagen het rechte eind op. Te laat. De wedstrijdleiding had de grid afgesloten en Williamson moest achteraan staan. Voor straf. Als een schooljongen. Balend stapte Roger weer uit. De start was pas over tien minuten. Dat begon goed. Alle moeite van de kwalificatietraining voor niks.

Jacqui kwam hem nog even succes wensen en zijn monteur drukte hem op het hart vooral te proberen om bij de start meteen Graham Hill in te halen. Die was allang niet zo snel meer, maar als je achter hem kwam te zitten was je zuur, dan kon het je zo de race kosten. Hij zou je er niet meer langs laten. Roger knikte. Verderop zag hij Ken Tyrrell staan. De twee gaven elkaar even een blik van verstandhouding. Roger stapte in. Zijn monteur deed zijn gordels vast. Vlak voor het personeel de grid moest verlaten zei Williamson tegen teambaas Max Mosley: ‘Ik zal je niet teleurstellen.’

Wedstrijdleider Ben Huisman klom hoogstpersoonlijk op de verhoging bij de startstreep om de rood-wit-blauwe vlag te zwaaien: het teken voor de start van de Grote Prijs van Nederland. Een zindering van trots ging door zijn lijf. Hier had hij met zijn medewerkers anderhalf jaar voor gewerkt, en ze hadden het gered!

Drieëntwintig bolides denderden in volle vaart op de Tarzanbocht af. Petersons Lotus dook er als eerste in. Williamson maakte een bliksemstart en kwam na de eerste ronde als zestiende door, maar wel achter Graham Hill. Hij had alleen de tweede ronde nog nodig om de oude rot voorbij te steken. Dat viel mee. Vanaf de derde ronde was ook David Purley Hill voorbij, en de twee Britten joegen op plaatsen dertien en veertien achter Gijs van Lennep aan.

Het leek alsof de wagen van Williamson bij een inhaalmanoeuvre was beschadigd. Er was een hele hap uit de linkervoorvleugel, die behoorlijk was verbogen. Waarschijnlijk had een scherp stuk al een tijdje langs de linkervoorband geschuurd, want bij het ingaan van de snelle bochtencombinatie bij Tunnel Oost liep de band binnen een paar meter leeg en dat maakte de March op slag onbestuurbaar. Purley zag de wagen voor hem onverwacht uitbreken en links op de vangrails knallen. De vangrail dempte de klap niet, maar slingerde de bolide juist weer de baan op. Williamson sloeg over de kop en gleed nog enkele honderden meters door, met de wielen in de lucht. De tank scheurde open en het wrak trok direct een brandspoor over de baan.

Later zou blijken dat de gloednieuwe dubbele vangrail totaal verkeerd was geplaatst. Hij was gewoon los in het duinzand gezet, zonder verankering. Daardoor ving de rail de klap niet op, maar werkte eigenlijk als een grote katapult: de wagen die erin reed werd zo de baan weer op geworpen, zonder ook maar iets aan snelheid te verliezen. Wat veiliger had moeten zijn dan in 1971, was dus eigenlijk veel gevaarlijker geworden.

David Purley zette zijn wagen direct aan de kant, klom eruit, stak de baan over en rende naar Williamson toe. Later vertelde Purley dat Williamson nog bewoog toen hij bij de wagen aankwam. Hij kon zien hoe Roger probeerde zijn gordel los te maken. Daarom begon Purley direct tegen de wagen te duwen en om hulp te roepen. Hij had gezien dat Williamson de crash had overleefd, maar niet uit de wagen kon komen om de vlammenzee te ontvluchten.

Via de live televisie-uitzending was de hele wereld getuige van de lafheid van de baancommissarissen. Het was weerzinwekkend om te zien hoe Purley in zijn eentje tegen het brandende wrak stond te duwen terwijl de hulpverleners toekeken en zelfs een stapje naar achteren deden. Ze leken apathisch en bang. De meeste van die baancommissarissen waren ook helemaal geen professionele hulpverleners. Het waren goedwillende amateurs, vrijwilligers die voor een lunchpakketje en een bekertje koffie langs de baan gingen staan omdat ze zo van autosport hielden. Ze hadden de taak om met vlagsignalen de rijders te waarschuwen voor mogelijk gevaar op de baan, maar ze wisten bij god niet wat ze met een echte calamiteit aan moesten. Sommigen droegen een geel hesje over hun alledaagse kleding, anderen hadden zelfs dat niet eens. En geen van hen droeg brandwerende kleding of iets dergelijks.

Op vrijdagochtend was er een briefing geweest voor alle medewerkers. De wedstrijdleiding had hen op het hart gedrukt om vooral aan hun eigen veiligheid te denken: ‘Die mannen in die wagens worden er goed voor betaald, jullie niet.’ In de redenering van de organisatie maakten de coureurs de keuze om risico’s te lopen. De vrijwilligers konden beter niet de held uithangen. Ze moesten wachtten op de professionele hulpverlening. Alleen: die kwam niet.

In het hutje van de baancommissarissen stond een noodtelefoon met directe verbinding naar de nieuwe controletoren bij de pits, maar de paniek in baanpost tien was na het ongeluk zo groot, dat iemand – waarschijnlijk per ongeluk – de draad uit het apparaat had getrokken. De boodschap dat er een crash met brand had plaatsgevonden, bereikte wedstrijdleider Huisman in elk geval nooit. En in de controletoren zelf was vreemd genoeg geen televisie. De mensen van de wedstrijdleiding zagen wel een rookwolk uit de duinen opstijgen, maar er was geen bericht van een baanpost ontvangen. Het ging waarschijnlijk om kwajongens die in de duinen wat banden in de fik hadden gestoken of zo. Huisman werd ook niet gealarmeerd door de tijdwaarneming. Ronnie Peterson draaide tijdens de brand zelfs een ronderecord. Dat andere coureurs wel stapvoets langs het ongeluk reden, werd kennelijk niet geregistreerd.

Net als in de controletoren stonden er ook in de pits geen televisies, maar bij March zagen ze Purley en Williamson niet meer langskomen. Teambaas Mosley dacht dat ze elkaar geraakt hadden en liep naar de camper in de paddock. Hij wist dat daar wel een televisietoestel stond. In de trailer trof hij Jacqui, en samen met andere teamleden zagen ze dezelfde beelden als de miljoenen televisiekijkers over de hele wereld. Het duurde even voordat iemand hardop durfde zeggen wat iedereen al dacht: ‘Het lijkt Rogers wagen wel.’ Langzaam drong tot Jacqui door dat Purley aan het vechten was voor het leven van Roger. Haar Roger. Ze drukte het meteen weer weg: het bleef maar een televisiebeeld. Zwart-wit. Het had niets te maken met die race die buiten aan de gang was. Die ging toch gewoon door? Ze hoorde toch hoe de wagens stuk voor stuk vol gas over het rechte eind raasden? In een van die wagens zat gewoon haar vriend. Die televisiebeelden gingen over iets anders. Het was een film. Fictie. Toen kwam Tom Wheatcroft de trailer binnen en keek Jacqui aan. Ze begon te huilen en kon niet meer stoppen.

De rijders in de race zagen de plaats van het ongeluk steeds maar voor enkele seconden op een ronde van anderhalve minuut. Als ze al tijd hadden om de situatie in te schatten dachten ze, net als de televisiecommentatoren, dat een coureur zijn eigen wagen probeerde te blussen. Zo lang de wedstrijdleiding de koers liet doorgaan, was er vast niet zo veel aan de hand. Alleen veteraan Dennis Hulme, de wereldkampioen van 1967, reed tot drie keer toe wild gebarend langs startfinish in een poging de wedstrijd stil te laten leggen. Ook hij had niet precies begrepen had wat er aan de hand was, maar hij vond het veel te gevaarlijk worden met die dichte rook over het circuit.

Maar om de wedstrijdleiding de zaak af te laten vlaggen was meer nodig dan een klein brandje. Hier had iedereen anderhalf jaar lang naartoe geleefd, dat lieten ze zich toch niet zomaar afpakken? En daarbij: de race was nog maar net begonnen. Hoe moest je in godsnaam het publiek in toom houden? Tachtigduizend mensen. Enkele honderden van die tachtigduizend zagen hoe de ramp zich voor hun ogen voltrok. Purley had gezien dat Williamson nog leefde. Hij hoorde hem om hulp roepen. Toen Purley het alleen niet voor elkaar kreeg de wagen om te duwen en de baancommissarissen alleen maar met vlaggen bleven zwaaien, wendde hij zich tot het publiek. Met een paar man moest het toch lukken om Williamson uit zijn benarde positie te redden? Enkele mensen uit het publiek gaven gehoor aan Purley’s oproep en klommen over de hekken, maar ze werden tegengehouden door politieagenten met honden. Sommigen begonnen te schelden: waarom deed de politie zelf dan niets? De meeste toeschouwers keken echter gewoon vanaf de tribune of een duintop toe hoe Williamson in zijn wagen verbrandde. Er kwam geen opstand, ook hier heerste een soort apathie.

De rookkolom werd steeds groter en dikker. Voor het publiek langs de kant van de baan werd het al moeilijk om de brandhaard te onderscheiden, laat staan voor de coureurs in hun voortrazende bolides. Pas na twintig ronden stuurde wedstrijdleider Huisman de brandweer naar Tunnel Oost, baanpost tien.

Langs het circuit stonden enkele grote brandweerwagens, waarvan eentje op amper honderdvijftig meter van het ongeluk. Maar dan wel honderdvijftig meter er voorbij. En omdat de race niet werd stilgelegd en het gekkenwerk zou zijn om met een brandweerwagen tegen de rijrichting van twintig Formule 1-wagens in te gaan rijden, kwam die wagen nooit in beweging. Er moest een brandweerwagen van de andere kant van het circuit komen. Het was een oude Bedford met vijfhonderd liter water aan boord en een paar brandweermannen in speciale pakken. De wagen kwam een kwartier na het ongeluk van zijn plek en kroop tergend langzaam naar Tunnel Oost.

Op de plek van het ongeluk arriveerde eerst een kleinere wagen, maar die stopte aanvankelijk bij de olietank van de March die tweehonderd meter voor het werkelijke wrak in de berm lag te branden. De mannen sprongen de wagen uit en begonnen enthousiast een slang uit te rollen. Het publiek begon te schreeuwen, maar dat hoorden de brandweerlieden niet vanwege de herrie van de voortrazende wedstrijd. Pas toen er even geen wagens langs denderden, viel het schreeuwende en wijzende publiek op. De echte brand was verderop! De brandweerlieden pakten hun boeltje weer in, verplaatsten zich en rolden even verderop hun slangen opnieuw uit en begonnen eindelijk te blussen.

Het poeder dat ze over de brandhaard spoten had nauwelijks effect. Even werd het vuur lager, maar na enkele seconden laaide het weer op; per saldo gebeurde er niets. Achteraf bleek het poeder waarmee de wagen was uitgerust totaal ongeschikt. Een duinbrandje van een paar polletjes helmgras was misschien nog gelukt, maar op brandstoffen en oliën had het schuim geen enkel effect.

Voor Roger Williamson was het toen al veel te laat. Hij was allang overleden door het inademen van hete gassen, zoals de officiële overlijdensakte later zou vermelden.

Na de aankomst van de grote Bedford kon de brand eindelijk geblust worden, en de zes brandweerlieden zetten samen met Purley het wrak van de March weer op zijn wielen. Of wat daarvan over was. De wagen was één zwartgeblakerde, onherkenbare hoop metaal en kunststof, onder een dikke laag wit poeder. Met in het midden de verkoolde Williamson. De helm nog op. Armen gestrekt. Alsof hij nog steeds een helpende hand verwachtte.

Hoewel er inmiddels vele professionele hulpverleners om de wagen heen stonden, werd het aan Purley overgelaten een doek over het lichaam van zijn dode collega te leggen. Een ambulance was toen overigens nog niet ter plaatse en die zou ook niet meer komen. Niet tijdens de race en niet erna.

Nadat hij zijn collega had afgedekt, liep Purley met hangende schouders terug naar zijn eigen bolide en reed terug naar de pits. Daar stapte hij witheet uit en schreeuwde tegen zijn monteurs: ‘Ik had die mensen wel kunnen vermoorden, ze hebben hem laten sterven! Zomaar laten sterven!’ Toen kwam hij een beetje tot rust, liep zonder nog iets te zeggen naar de transporter van het team en ging achter de vrachtwagen over zijn nek. Nog vijftig ronden lang scheurden Williamsons andere, onwetende collega’s langs het wrak, waar het lichaam van de coureur nog in zat.

Zoals Ben Huisman de race eigenhandig had gestart, zo vlagde hij hem ook zelf weer af. Jackie Stewart won de Grand Prix voor zijn teamgenoot François Cevert. Een dubbel voor Tyrrell, het team waar Roger Williamson het volgende seizoen zou rijden. Wranger kon bijna niet. James Hunt, Rogers oude rivaal uit de Formule 3, werd uiteindelijk derde.

Met deze overwinning brak Stewart definitief het record van Jim Clark: zesentwintig Grand Prix-overwinningen was meer wie dan ook ooit behaald had. Maar toen Stewart hoorde dat Williamson dood was, verzocht hij vriendelijk het Britse ‘God Save The Queen’ achterwege te laten. Geen uitbundige huldiging, alstublieft. Zelfs hierin faalde de organisatie jammerlijk, en de drie coureurs op het podium ondergingen met gebogen hoofden een gênant feestelijke ceremonie.

Het wrak van de March werd na de race achter op een vrachtwagen teruggebracht naar de pits. Het lichaam van de rijder zat er nog in en het werd aan de monteurs overgelaten om het eruit te halen. Huisman bestelde ondertussen in Zandvoort een ambulance. Waarschijnlijk heeft hij erbij gezegd dat het om een dode ging, of de vraag werd niet helemaal goed begrepen, want ze stuurden een lijkwagen. Terwijl Jackie Stewart uit piëteit geen ereronde wilde rijden, reed de lijkwagen uit Zandvoort die wel. Een macabere afsluiting van het raceweekend. Het publiek was perplex.

In de paddock vertelde David Purley zijn verhaal aan journalisten: ‘Ik heb in mijn wanhoop geprobeerd, terwijl de bolides links en rechts als projectielen om mij heen vlogen, of ik Roger toch uit de wagen kon krijgen, maar de koplopers reden dwars door de dikke rookwolken heen om hun posities te verbeteren. Nu pas heb ik als nieuwkomer geleerd welke commerciële belangen er in een dergelijke race op het spel staan. Ik ben er misselijk van.’ Purley’s machteloosheid op de baan was inmiddels overgegaan in onbegrip, kwaadheid. Hij kon niet stoppen met praten: ‘Ik kon zien dat Roger nog leefde en ik kon hem horen schreeuwen. ‘For Gods sake get me out of here!’ Ik probeerde mensen zo ver te krijgen dat ze me hielpen. Als het gelukt was de wagen om te duwen, had Roger het overleefd. Aan heldenmoed heb ik niet gedacht. Ik heb gedaan wat een getrainde paratroeper als ik gewend is te doen als hij iemand in problemen ziet.’ Hij realiseerde zich ineens hoe pijnlijk zijn verhaal moest zijn voor de nabestaanden van Williamson, en probeerde zijn woorden terug te nemen. Hij vroeg journalisten dat laatste niet op te schrijven. Uit respect. Liever niet vertellen dat Williamson nog leefde. Maar het was te laat. Het verhaal ging als een lopend vuurtje door het perscentrum. Niet bij te houden en zeker niet te blussen.

Niet lang daarna volgde er een chaotische persconferentie. Ben Huisman zat achter een tafel in een provisorische tent en om hem heen krioelden journalisten, coureurs, teameigenaren en allerlei ander racevolk. Dennis Hulme schold Huisman uit voor moordenaar en Huisman hield vol dat hij de gebruikelijke procedures had gevolgd. Hij was zich waarschijnlijk niet bewust van de impact van de gebeurtenissen, hij had op dat moment de televisiebeelden nog steeds niet gezien. Huisman verweet de coureurs dat ook zij niets hadden doorgegeven. Peter Revson keerde zich verbolgen af: alsof dat hun taak was. Communicatie, daar had je een wedstrijdleiding voor. En Hulme brulde dat hij tot drie keer toe had aangegeven dat er wat aan de hand was. Het werd een welles-nietesspel. Beschuldigingen vlogen over en weer. Verantwoordelijkheden werden afgewenteld. Sommige coureurs en betrokkenen werden stil, kropen in hun schulp. Anderen werden woedend en konden niet stoppen met schelden. Hulme bleef boven iedereen uit herhalen: ‘Bullshit! Bullshit!’ De sfeer werd grimmig en de gemoederen raakten steeds meer verhit. Volgens sommigen vielen er zelfs rake klappen. Iedereen had zijn manier om de keiharde werkelijkheid tot zich door te laten dringen. Mike Hailwood, die tijdens de Zuid-Afrikaanse Grand Prix Clay Reggazzoni nog uit diens brandende wagen had gered, was zeer aangeslagen en nam het zichzelf kwalijk dat hij niet was gestopt. Hij ging gebukt onder het schuldgevoel. Ook anderen staken de hand, al dan niet terecht, in eigen boezem en in de meeste gevallen maakte de woede langzaamaan plaats voor gelatenheid. In die gelatenheid eindigde de bijeenkomst in de tent achter de controletoren.

Ben Huisman ging naar de camper van Graham Hill, een van de coureurs die hij wat beter kende en met wie hij een goede band had. Ze dronken samen een biertje. In stilte. Na een paar slokken zei Hill: ‘Not so good, Ben.’ Ben zei niets. ‘Not so good.’ Huisman knikte, dronk zijn bier op en liep de camper uit. Hij stapte in zijn auto en reed langs de plek van het ongeluk. Hij was er alleen. De toeschouwers waren weg. Alleen een paar strepen op het asfalt, verschroeid gras en wat brokstukken. De wind stak op. Er dwarrelde een losse programmakrant over de baan en Huisman vertrok. Hij keerde het circuit definitief de rug toe. Hij wist dat hij gefaald had en liep er ook niet voor weg. Híj was verantwoordelijk en niemand anders. Wat een glorieuze dag had moeten worden met de wederopstanding van Zandvoort, werd zijn laatste dag als wedstrijdleider.

Jacqui kon het niet aan om in het ziekenhuis van Haarlem het lichaam van haar vriend te identificeren. Ze werd door Tom Wheatcroft op het vliegtuig naar Engeland gezet en was ’s avonds al weer thuis. Daar dreunde het ongeluk nog dagen door in de media en Jacqui keek telkens weer naar de afschuwelijke foto’s en alle herhalingen op televisie. Bijna dwangmatig. Alsof ze zich er elke keer weer van moest overtuigen dat het echt gebeurd was.

David Purley kreeg de George Medal, een hoge Britse onderscheiding voor zijn getoonde moed. Hij twijfelde in de dagen na de race sterk of hij nog door moest in deze tak van sport, maar besloot dat hij niet zonder kon en stapte de volgende Grands Prix weer in. Maar niet direct. Toen zijn collega’s vijf dagen later alweer trainingsrondjes draaiden voor de Grote Prijs van Duitsland, was hij als enige Formule 1-coureur aanwezig bij de begrafenis van Roger Williamson in Leicester. Een dag later reisde hij naar Duitsland en voegde zich bij zijn collega’s. Zijn onderarmen waren nog helemaal vervormd door de blaren ten gevolge van de brand in Zandvoort, maar hij kon rijden. En hij wilde rijden.

Wie in de pits op de Nürburgring naar de coureurs keek had het idee dat alles hetzelfde was gebleven. De gelatenheid waarmee ze Zandvoort hadden verlaten, was compleet weg. Ze lachten weer voor de fotografen, vermaakten zich met pitspoezen, discussieerden met hun ingenieurs en zochten de limiet op de baan. Uiteindelijk ging het weer om rondetijden en startposities. Het leven ging altijd door en de Formule 1 was al helemaal niet te stoppen. Toch was er wel iets veranderd na die dag op Zandvoort. Toen aan het eind van het seizoen François Cevert verongelukte op Watkins Glen, stopte iedereen die op dat moment op de baan was bij de plek des onheils. Ze stapten uit en zagen dat er deze keer echt niets meer aan te doen was.

Het was achteraf allemaal best te begrijpen, een idiote samenloop van omstandigheden: de lekke band van Williamson, de vangrails die als catapults waren gemonteerd, de coureurs die waren doorgereden omdat ze dachten dat het zo erg niet was, de baancommissarissen die het zonder brandwerende kleding niet aandurfden de wagen om te keren, Huisman in zijn controletoren die van niets wist, de brandweerwagen die niet in tegengestelde richting kon rijden, het publiek dat vanaf de tribune toekeek en de enkelen van hen die door de politie werden tegengehouden omdat het te gevaarlijk was om een circuit tijdens een Grand Prix over te steken. Het was vanuit ieder individueel standpunt te begrijpen, maar het complete beeld was veel sterker: het beeld van een eenzame man die hulpeloos probeerde een collega te redden. De Formule 1 wilde zo graag de aandacht van de hele wereld. Die had ze nu. Maar het beeld van die ene man zou voor altijd aan de sport en aan Zandvoort blijven kleven.

Een langere versie van dit verhaal verscheen onder de titel ‘De schande van Zandvoort’ in mijn boek ‘Met het stuur tussen de tanden’ (L.J.Veen, 2009).