Het onderzoekje dat ik afgelopen september begon met de onschuldige vraag: ‘Waarom staat in Amerika op elke straathoek een vlag (en bij ons niet)?’ is een beetje uit de hand gelopen. Dat komt niet alleen doordat het antwoord op die vraag me door de hele geschiedenis van de VS heen leidde, maar ook doordat er sinds mijn laatste bezoek aan de Verenigde Staten nogal wat is gebeurd. Onder Trump is Amerika op patriottische ramkoers en zijn aanpak dreigt over te slaan naar Europa, waar Geert Wilders al verlekkerd de ‘patriottische lente’ heeft aangekondigd.

Als Wilders en Trump het over patriottisme hebben dan bedoelen ze vooral een nationalistisch soort patriottisme dat gebaseerd is op loyaliteit met de natie en dat de nadruk legt op de nationale veiligheid, die ons moet beschermen tegen een boze buitenwereld. Uit de tweede aflevering van dit drieluik kwam echter al naar voren dat er nog een ander patriottisme bestaat dat meer gaat over gemeenschappelijke culturele waarden en verworvenheden als individuele vrijheid en gelijke rechten. Dat patriottisme zou je humanistisch patriottisme kunnen noemen of sociaal patriottisme en het legt juist de nadruk op het verbindende element van een natie.

Onder Trumps motto ‘America First’, lijkt het nationalistisch patriottisme, dat vooral mensen uitsluit en naar binnen is gekeerd, het in de Verenigde Staten definitief te winnen van de meer sociale variant. Dat is niet iets van de laatste tijd. Amerika heeft een lange traditie van isolationistische, racistische en patriottische bewegingen, die loopt van de Native Americans van Lewis Levin in de 19e eeuw tot de hedendaagse Ku Klux Klan.

Deze bewegingen waren niet marginaal; de Ku Klux Klan had bijvoorbeeld op haar hoogtepunt in de jaren twintig van de vorige eeuw tussen de 4 en 5 miljoen leden, wat neerkwam op 15% van het Amerikaanse electoraat. In deze volksbewegingen speelde de Amerikaanse vlag telkens een grote politieke rol, want als een beweging of politieke partij de vlag aan zijn boodschap kon verbinden, zadelde deze de oppositie direct op met een probleem. Wie zich tegen de vlag keerde leek immers al snel een landverrader. Met America First probeert Trump op dit moment hetzelfde te doen als veel van zijn populistische voorgangers. Het is voor zijn tegenstanders lastig om te betogen dat het belang van Amerika niet altijd bovenaan moet staan, maar soms ook dat van een ander land, een  bevolkingsgroep of iets triviaals als het milieu. Op die manier wordt iedereen die kritiek heeft op Trumps boodschap al snel een vijand van de natie.

Het verhaal van patriottisme in de Amerikaanse politiek wordt gekenmerkt door een terugkerende claim op loyaliteit aan het vaderland, vaak als antwoord op xenofobie of andere angsten. Die geschiedenis laat zich lezen als een constante strijd om het belangrijkste symbool van de natie: de Stars and Stripes. Zelfs Trumps America First is daarin niet nieuw. Met zijn motto lijkt hij bewust te refereren aan een beweging met dezelfde naam die behalve het isolationistische karakter nog andere interessante overeenkomsten vertoont met het aangekondigde beleid van de nieuwe Amerikaanse president.

America First

Het America First Committee werd in 1940 opgericht om de Amerikaanse regering onder druk te zetten om de banden met de klassieke bondgenoten in Europa op humanitair, militair en economisch vlak te verbreken en op die manier buiten de Tweede Wereldoorlog te blijven. Het AFC had op haar hoogtepunt 800.000 betalende leden die de isolationistische campagne ondersteunden. Een van de belangrijkste kopstukken was Charles Lindbergh, de luchtvaartpionier die Europa nota bene eigenhandig dichterbij had gebracht door als eerste non-stop over de Atlantische Oceaan te vliegen, maar die zich nu ontpopte als een van de grootste tegenstanders van steun aan Engeland in de strijd tegen nazi-Duitsland. Veel leden van de AFC werden verdacht van antisemitische motieven en nazi-sympathieën en Lindbergh zocht – net als Trump – de confrontatie met de media die hij typeerde als een bolwerk van elitaire Joodse zakenmensen, die waren geïnfiltreerd in de Amerikaanse samenleving, vooral in Hollywood, Washington en New York.

Na de verrassingsaanval op Pearl Harbour verklaarde Amerika Japan de oorlog en twee dagen later reageerde Adolf Hitler, die in een ogenschijnlijk nogal overmoedige bui op zijn beurt Amerika de oorlog verklaarde. Daarmee werden de Verenigde Staten definitief op twee fronten de Tweede Wereldoorlog in getrokken. Dat had gigantische gevolgen, waarvan het met stille trom opheffen van het America First Committee bepaald niet de meest in het oog springende was.

De deelname van Amerika aan de Tweede Wereldoorlog bracht een nieuwe golf van patriottisme op gang. Zo werd de gewoonte om bij aanvang van sportwedstrijden de Star Spangled Banner te zingen nieuw leven ingeblazen en die traditie breidde zich zelfs uit tot bioscopen en theaters, waar het volkslied werd gezongen voor aanvang van elke voorstelling. Toch was het patriottisme minder uitbundig en minder massaal dan tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dat had alles te maken met het schrikbeeld van Adolf Hitler, die met veel vlagvertoon zijn eigen extreme versie van patriottisme uitdroeg. En de Amerikanen wilden bij nader inzien toch liever niet te veel op de vijand gaan lijken. Dat leidde zelfs tot een wetswijziging.

In de Flag Code, die het gebruik en het ontwerp van de vlag vastlegde, was ook de officiële pledge of allegience opgenomen. Daarin werd de manier waarop onder andere schoolkinderen in Amerika elke ochtend trouw zworen aan de nationale vlag nauwkeurig beschreven. Het saluut dat daarin stond had nogal veel weg van de Hitlergroet en tijdens de oorlog voelde men zich daar steeds ongemakkelijker bij. Vandaar dat Roosevelt de wet in 1942 aanpaste, waarbij het saluut werd vervangen door het plaatsen van een hand op het hart. En dat is sindsdien zo gebleven.

De burgerrechtenbeweging

De Tweede Wereldoorlog zette echter nog een veel grotere verandering in gang. Het leger van de Verenigde Staten streed weliswaar als verdedigers van de democratie tegen de nazi’s en Japanners, maar hoe paste de segregatie in eigen land eigenlijk in dat verhaal? Hoe kon Amerika aan de ene kant de rassensuperioriteit van de nazi’s bevechten, terwijl in de zuidelijke staten de eigen zwarte burgers geen gelijke rechten hadden en openlijk werden gediscrimineerd?

Voor veel zwarten stond de Stars and Stripes dan ook niet voor ‘hun’ Amerika. Voor hen stond de nationale vlag juist symbool voor ongelijkheid en intimidatie. Lynchings kwamen vooral in het zuiden tot 1940 nog veel voor en de segregatie was op het platteland soms zo sterk dat van zwarten werd verwacht dat ze op de stoep letterlijk een stapje opzij deden voor blanken. De horeca had aparte gedeeltes voor zwarten achterin de zaak, aan de bar mochten ze niet zitten. Op zaterdagavond mochten zwarten vaak helemaal niet in het centrum van de zuidelijke stadjes komen. Bovendien werden zwarten ook niet op dezelfde manier door het Amerikaanse rechtssysteem beschermd als hun witte landgenoten. Ze werden eigenlijk in alle opzichten behandeld als minderwaardige burgers.

Voor veel zwarte jongemannen was het leger van oudsher een manier om aan het armoedige leven in de zuidelijke staten te ontsnappen. Tijdens de militaire missies in Europa kwamen ze er achter dat segregatie daar helemaal niet bestond en ze begonnen te geloven dat rassengelijkheid geen utopie was. Dat was een van de redenen waarom na de oorlog de NAACP en andere burgerrechtenorganisaties zo sterk groeiden. Zwarte jongeren waren vastbesloten om thuis dezelfde rechten af te dwingen waarvoor ze in de rest van de wereld hadden gevochten. En de vlag zou daar weer een belangrijke rol in spelen.

Ondanks het feit dat de slavernij officieel was afgeschaft werd de segregatie tussen zwart en wit in de zuidelijke staten nog steeds gezien als een traditionele Amerikaanse kernwaarde. Dus toen het hooggerechtshof zich in 1954 uitsprak tegen segregatie in het onderwijs, reageerde het zuiden daar buitengewoon fel op. Ze wilden hun systeem te vuur en te zwaard verdedigen. De federale overheid zette echter door en President Eisenhouwer stuurde in 1957 het leger naar Little Rock om ervoor te zorgen dat negen zwarte jongens werden toegelaten op de plaatselijke middelbare school. De federale Amerikaanse staat gaf hiermee aan dat ze de integratie van zwarte burgers desnoods met geweld wilde afdwingen, wat ertoe leidde dat de zuiderlingen zich begonnen af te keren van het centrale gezag. In een duidelijke verwijzing naar de burgeroorlog en de slavernij grepen zij naar de vlag van de geconfedereerde staten als symbool van het blanke verzet. Vanaf 1959 zag je bij bijeenkomsten van voorstanders van de segregatie alleen nog maar confederatie vlaggen, waarmee de zuiderlingen in feite aangaven dat het zuiden wat hen betreft een ander land was, met andere waarden. Door de vlag van de confederatie zo nadrukkelijk te voeren lieten ze echter de Stars and Stripes los en de eersten die het nationale symbool oppakten waren uitgerekend de zwarte studenten.

Vier studenten van de landbouw- en technische universiteit van North Carolina kleedden zich op 1 februari 1960 onberispelijk aan voor een bezoek aan het filiaal van Woolworth in Greensboro. Ze gingen aan de bar zitten en bestelden een kop koffie. De serveerster vroeg ze weg te gaan en plaats te nemen in het gedeelte dat bestemd was voor kleurlingen. Dat weigerden ze en ze bleven zitten tot sluitingstijd. Onbediend, maar ook niet weggestuurd. De volgende dag besloten ze met een iets grotere groep terug te gaan en weer gebeurde er niets. Ze werden niet bediend, maar er werd ook niet ingegrepen. Elke dag kwamen de studenten terug en na een daar dagen zat de broodjeszaak vol met wel zestig keurig geklede donkere studenten. De pers begon verslag te doen en er kwamen steeds meer boze witte mannen met confederatievlaggen op de door zwarte studenten bezette Woolworth-vestiging af. Het kon niet lang goed gaan. Het was net een stand-off uit een moderne western: de studenten aan de bar met hun rug naar de etalageruit, en daarachter, op de stoep, een menigte opgeschoten jongeren met zuidelijke vlaggen, die stonden te popelen om de cafetaria schoon te vegen. Op het toppunt van de spanning kwamen echter de imposante zwarte leden van het footballteam van de universiteit de studenten te hulp en ze droegen nadrukkelijk de Stars and Stripes als tegenwicht voor de geconfedereerde vlaggen van de witte jongeren. Dat haalde de angel enigszins uit het conflict en niet lang daarna haalde Woolworth bakzeil en ze begonnen de zwarten aan de bar te bedienen alsof er niets gebeurd was. Overigens deden ze dat niet zozeer omdat ze moreel overtuigd waren dat segregatie verkeerd was, maar vooral omdat het zakelijk niet meer vol te houden was. De zwarte studenten waren namelijk tijdens de sit-in ook een boycot tegen Woolworth en andere winkels in Greensboro gestart en dat scheelde de middenstand een derde van hun omzet.

Terwijl de pers verslag deed van het succes in Greensboro verspreidden de geweldloze sit-in protesten zich snel, eerst in North Carolina, later ook in andere staten. In veel gevallen werd ook daar de vlag gebruikt. De studenten benadrukten daarmee dat het opkomen voor gelijke rechten een intrinsieke Amerikaanse waarde was. En John F. Kennedy gaf hen daarin gelijk toen hij opmerkte: ‘It is the American tradition to stand up for one’s rights, even if the new way to stand up for one’s rights is to sit down, and it took the youth of our Nation to remind us again of this fact.’

Maar ondanks de morele steun van de nieuwe president ging de vooruitgang traag en er werden nog jarenlang verschillende sit-ins georganiseerd naar het voorbeeld van Greensboro, inclusief een boycot van de plaatselijke middenstand. Tijdens die demonstraties gebruikte de burgerrechtenbeweging zogenaamde picket signs, borden die werden gedragen op een stok of als sandwichbord met leuzen als: “I am a man”, “Segragation is morally wrong” en “All men are created equal’. In veel steden werden die borden verboden en door de politie in beslag genomen. De beelden daarvan gingen via de televisie het hele land door en het was een belangrijke manier om de boodschap te verspreiden en de sympathie van de bevolking te winnen. In Jackson, Tennessee maakte een politieverordening het echter mogelijk om mensen met een protestbord direct op te pakken, nog voor de demonstratie begonnen was en dus ook zonder dat de media verslag konden doen. De NAACP moest daar iets op verzinnen. En dat deden ze.

Toen drie studenten tijdens een sit-in door voorstanders van de segregatie werden gemolesteerd en de zaak uit de hand dreigde te lopen, trad de politie keihard op met honden en gummiknuppels. Alleen niet tegen de daders, maar tegen de zwarte studenten. In reactie daarop organiseerden de burgerrechtenactivisten in Jackson een March for Freedom, die zorgvuldig werd voorbereid. De deelnemers, allemaal schoolkinderen, verzamelden zich in een kerk en de plaatselijke leiders van de burgerrechtenbeweging gaven ze workshops in geweldloos verzet. Bovendien besloten ze vlaggen te gebruiken in plaats van picket signs omdat ze er vanuit gingen dat de politie wel twee keer na zou denken voor ze kinderen hun vlaggen zouden afnemen. Dat zou een tactische meesterzet blijken te zijn.

Zeshonderd zwarte lagere- en middelbare schoolkinderen liepen heel gedisciplineerd in paartjes in de voorjaarszon hand in hand naar het witte stadscentrum van Jackson. Ze zongen vrijheidsliedjes; geweldlozer kon het niet. Niettemin was de oproerpolitie op volle oorlogssterkte uitgerukt, met schilden, helmen, honden en riotguns, klaar om het verwachtte zwarte protest neer te slaan. De opgefokte agenten waren verbaasd om de schoolkinderen op ze af te zien komen en  begonnen toch maar hun vlaggen in beslag te nemen. Toen de scholieren zich verzetten begon de politie op ze in te slaan met knuppels en geweerkolven. De vlaggen werden bruut uit hun handen gerukt en de scholieren werden afgevoerd in klaarstaande arrestatiewagens. Toen de arrestatiewagens op waren gebruikte de politie vuilniswagens om het grote aantal arrestanten te kunnen verwerken. De overgebleven kinderen keken toe hoe hun klasgenootjes in vuilniswagens werden afgevoerd en wachtten keurig op hun beurt. Toen de laatste vuilniswagen de straat uit reed marcheerden de politieagenten weg. Ze hadden hun werk gedaan, de stad was schoongeveegd. Hier en daar bleven nog wat vlaggen achter op straat. De bewoners van Jackson en de aanwezige journalisten hadden met open mond staan toekijken. Een vrouw raapte een vlag op en begon te huilen. De pers legde alles dankbaar vast en de opzet van de NAACP was geslaagd: hun protest kreeg vanwege de dramatische beelden wereldwijde aandacht.

Dankzij de aanwezigheid van de vlag sprak uit die beelden een duidelijke boodschap. Het was niet langer vol te houden dat de zwarte protestanten geen rechtgeaarde Amerikanen waren. Ze droegen de vlag en deden dat met respect. Het waren juist de oproerpolitie en de voorstanders van de segregatie die geen respect voor de vlag toonden. Hierdoor werd de link snel gelegd dat segregatie in feite anti-Amerikaans was. Vooral daarom was Jackson van doorslaggevende betekenis in de strijd voor gelijke burgerrechten. Een paar jaar later hield dominee Martin Luther King zijn beroemde ‘I have a dream’-speech tijdens de March on Washington for jobs and freedom. Naast hem op het podium stond de vlag en inhoudelijk verwees hij in zijn speech naar de onafhankelijkheidsverklaring, de grondwet en beroemde toespraken van Abraham Lincoln. De burgerrechtenbeweging had zich dankzij de vlag met succes een plaats veroverd in het hart van de Amerikaanse natiestaat.

De oorlog in Vietnam

Maar juist op het moment dat de burgerrechtenbeweging de vlag omarmde als symbool van de vrijheid en gelijke rechten, zorgde de Vietnamoorlog al weer voor een verandering in de betekenis van die vlag. In april 1967 had Martin Luther King zich uitgesproken tegen de oorlog. Dat deed hij tijdens een vredesbijeenkomst in Central Park in New York waar tussen de 300 en 400 duizend mensen uit alle lagen van de bevolking bijeen waren: wit en zwart, jong en oud, studenten en gezinnen. Op dat moment vond 40% van de Amerikanen dat het leger niets in Vietnam te zoeken had, maar Washington leek niet naar hen te luisteren. Voor veel mensen was het de eerste keer dat ze protesteerden tegen het beleid van hun eigen regering en ze wilden hun vaderlandsliefde tonen door vlaggen mee te dragen in de demonstratie. Tegelijkertijd waren er ook mensen die zich minder patriottisch toonden en een swastika of vredesteken op hun Stars and Stripes hadden gezet of met de vlag van de Noord Vietnam zwaaiden. Hoe verward de bevolking was geraakt over de traditionele Amerikaanse waarden bleek uit teksten die de motivatie voor de oorlog ter discussie stelden zoals: ‘No Vietnamese Ever Called Me Nigger’. Jonge mannen die waren opgeroepen voor het leger verbrandden bij de demonstratie hun oproepkaarten en sommigen verbrandden zelfs de vlag. Dat beeld ging het hele land door en leidde tot geschokte reacties. Het was de directe aanleiding voor president Johnson om de eerste Flag Desecration Act te ondertekenen op de betekenisvolle datum van 4 juli 1968.

Voor lager geschoolden was het leger van oudsher de beste optie om maatschappelijk carrière te maken. De arbeidersklasse leverde dan ook het merendeel van de soldaten voor de oorlog. Niet zelden had hun grootvader in de Eerste Wereldoorlog aan het front gevochten en hun vader in de Tweede. Het was vanzelfsprekend dat de volgende generatie weer ten strijde zou trekken en het kwam eigenlijk helemaal niet in hun hoofd op dat de regering een oorlog zou beginnen zonder daar een goede reden voor te hebben. In die zin is het vertrouwen van de gemiddelde Amerikaan in de regering tussen de jaren zestig en de dagen van Trump geheel verschoven. De bevolking had destijds een rotsvast vertrouwen in Washington en was trots op de vlag die het leger verdedigde.

Daar kwam bij dat de vlag een belangrijke rol speelde in de uitvaart van gesneuvelde soldaten. Er lag een vlag over de kist als die uit het Hercules transportvliegtuig werd gedragen en die vlag werd op een speciale manier opgevouwen en aan de rouwende ouders aangeboden. De vlag werd een teken van rouw: als je een vlag halfstok in een tuin zag staan wist je dat er iemand was gesneuveld. Het was voor de ouders bovendien een troost dat hun zoon niet voor niets was gestorven, maar voor zijn land. Voor een hoger en nobel doel. Naarmate er meer vlaggen in de straten kwamen te hangen omdat er meer en meer soldaten sneuvelden, groeide bij de arbeidersklasse echter de weerstand tegen de oorlog. Ondertussen heerste er bij studenten en hogeropgeleiden ook een anti-oorlogsstemming, maar zij waren om politieke redenen tegen en leken zich meer betrokken te voelen bij de bevolking van Vietnam dan bij de eigen soldaten, die ze niet zelden als agressors zagen. Die twee visies op de oorlog zorgden eerder voor verdeeldheid dan voor saamhorigheid. Een moeder van een gesneuvelde zoon was weliswaar tegen de oorlog, maar ze zou nooit een vlag verbranden. Het was immers de vlag waarvoor haar jongen was gestorven.

Ook veel mensen in de anti-oorlogsbeweging voelden zich wel degelijk verbonden met de vlag die ze als scholier elke ochtend hadden begroet en die ze wekelijks zagen bij sportwedstrijden. Voor hen stond die vlag echter niet voor de militaire trots van de natie, maar voor belangrijke democratische waarden als vrijheid en gerechtigheid; waarden waar in de Tweede Wereldoorlog voor was gevochten. Zij hadden dan ook het gevoel dat wanneer ze de Amerikaanse bevolking maar duidelijk konden maken dat de Vietnam-oorlog juist tegen die waarden in ging, dat een meerderheid zich net als zij tegen de oorlog zou keren. Met name studenten focusten zich daarom op het informeren van de bevolking over Vietnam, want bijna niemand in de Verenigde Staten had enig idee wat daar precies gaande was. Hieruit ontstonden protesten die al snel duizenden mensen op de been brachten, maar desondanks veranderde het beleid van de regering niet. President Johnson weigerde troepen terug te trekken en ook Nixon ging na zijn verkiezing gewoon door met de oorlog. Het vertrouwen bij de bevolking werd minder. De vlag had hen verraden. Zo zagen zij dat in elk geval, want die vlag stond ook op de B52’s die bommentapijten uitwierpen boven de jungle en op de militaire voertuigen die Vietnamese dorpen binnenreden om ze plat te branden. Amerika was volgens velen niet langer democratisch. Een meerderheid was immers tegen een oorlog waar maar geen einde aan leek te komen.

Op die manier werd de vlag voor kritische burgers zo langzamerhand het symbool van een staat die niet naar zijn eigen bevolking wilde luisteren en duizenden soldaten de dood in joeg. Het verbranden van de Stars and Stripes werd het anti-Vietnam symbool bij uitstek. De vlag werd nog wel gezien bij demonstraties, maar dan alleen gemodificeerd met het vredesteken of met pacifistische leuzen. Velen voelden zich machteloos. Washington leek samen te vallen met het leger en maakte zich schuldig aan het imperialisme waartegen Amerika zich bij zijn ontstaan juist had afgezet.

Deze twee visies op de vlag, de ene als een symbool van opoffering en eer voor het vaderland en de andere van een regering die zijn eigen mensen en waarden had verraden, moesten wel tot een botsing komen. En dat gebeurde in New York tijdens wat later de Hard Hat Riot zou gaan heten.

Hard Hat Riot

In de lente van 1970 was lower Manhattan vergeven van de bouwputten en de hijskranen. Er was een soort groeispurt gaande met tal van wolkenkrabbers in aanbouw, waaronder de Twin Towers van het World Trade Center. Een mierennest van bezige bouwvakkertjes met gele bouwhelmen die een reuzen Mecanodoos uitpakten en stalen balken begonnen te stapelen. Het ging in een razend tempo naar boven. Hoog, hoger en hoogst. Het geluid van staal op staal, heimachines en slijptollen, dat was de soundtrack van een werkdag voor de zakenmensen in het Financial District rond Wall Street.

Ondertussen was president Nixon duizenden kilometers verderop Cambodja binnengevallen zonder toestemming te vragen aan het congres. Daarmee vestigde Nixon zijn naam als ‘crook’ en leugenaar en het leidde tot een nieuw hoogtepunt in de anti-oorlogsprotesten. Met name studenten lieten van zich horen en op meer dan twintig hogescholen en universiteiten kwam het tot een gewelddadig treffen tussen de demonstranten en de politie of de National Guard, waarbij zelfs doden vielen. Wat natuurlijk alleen maar leidde tot meer escalatie.

Bij een bouwput aan Whitehall Street, op het zuidelijke puntje van Manhattan, hadden bouwvakkers een vlag geplant, als een soort talisman voor de werkzaamheden. Op een dag haalde een student die in de buurt protesteerde de vlag van de stok. De geïrriteerde bouwvakkers kwamen vanaf hun steigers naar beneden en het kwam tot een handgemeen. Het was een klein incident en haalde aanvankelijk niet eens de krant.

Het leidde er wel toe dat de bouwvakkers van verschillende projecten elkaar opjutten om nu eens iets te doen aan die wijsneuzen die telkens hun vlag onteerden. De ruwe, hardwerkende bouwvakkers die aan het World Trade Center, US Steel Building en Manhattan Plaza werkten ergerden zich dood aan de langharige luie studenten die te pas en te onpas vlaggen in de fik staken. Ze besloten om ze de volgende dag een lesje te leren en te laten zien wat ze van hun demonstraties vonden. Als de studenten de straat op mochten om hun mening te verkondigen, dan mochten zij dat ook! De vakbond hoorde van het plan en besloot bouwvakkers vrijaf te geven als ze deelnamen aan een tegendemonstratie. Sommige aannemers gingen nog verder en boden hun werknemers zelfs een bonus aan.

Wat nog eens extra olie op het vuur gooide was de officiële herdenking van vier studenten die door de National Guard waren neergeschoten op Kent State University, enkele dagen eerder. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers hing de vlag op het stadhuis van New York halfstok. Dit was tegen het zere been van veel oorlogsveteranen die het gevoel hadden dat de studenten dat niet verdiend hadden. Voor hun maten in het leger was de vlag op het stadhuis nog nooit halfstok gegaan en die waren nota bene gestorven voor hun vaderland.

In de nasleep van de gebeurtenissen op Kent State waren overal anti-Vietnamdemonstraties. Ook op de trappen van Federal Hall aan Wall Street. Een standbeeld van George Washington voor de ingang verwees naar de inauguratie van de eerste president van de Verenigde Staten die hier plaats vond, net als de eerste bijeenkomst van het congres in 1785. Het is een klassiek koloniaal gebouw met een Griekse zuilengalerij onder een timpaan. Imposant als het vrij zou staan, maar hier stond het ingeklemd tussen machtige wolkenkrabbers. De demonstratie was net als de meeste andere vreedzaam. Rond lunchtijd pakten de studenten op hun gemak hun boterhammetjes uit hun linnen tasjes en keken vanaf de trappen naar de zakenmensen die hun kantoren uit kwamen om van de zon te genieten.

Opeens kwamen van alle kanten kraandrijvers, staalwerkers, liftmonteurs en timmermannen in bruine overalls of geruite overhemden, met gele bouwhelmen op en hun riemen vol gereedschap richting Wall Street. In hun handen loden pijpen, grote tangen, steeksleutels en hamers. Alsof ze zo uit een spionagefilm waren weggelopen deelden twee geheimzinnige mannen in grijze pakken vlaggen uit aan de bouwvakkers. Met die vlaggen in de hand en onder het roepen van leuzen als “USA all the way” en “Love it or leave it” begonnen de bouwvakkers met geweld de trappen van Federal Hall schoon te vegen. De studenten verzetten zich hevig, maar veel zakenmensen uit het financial district schaarden zich aan de kant van de arbeiders en mengden zich in de vechtpartij. De politie deed ondertussen nauwelijks moeite om de partijen uit elkaar te houden en werd er later van verdacht vooral sympathie met de bouwvakkers te hebben. Enkele bouwvakkers plaatsten vlaggen bij het standbeeld van Washington en bij de ingang van Federal Hall. De hele actie was bewust zo georkestreerd om het er uit te laten zien alsof de bouwvakkers de vlag van hun land verdedigden.

Tevreden met hun overwinning, maar nog vol adrenaline werd de boze menigte door de mannen in de grijze pakken naar het stadhuis gedirigeerd. Daar aangekomen hing de vlag nog steeds halfstok ter nagedachtenis van de vier gesneuvelde studenten. Een man maakte zich los uit de menigte, glipte het stadhuis binnen en ging naar het dak. Daar begon hij de vlag te hijsen tot die helemaal in top hing. Medewerkers van de gemeente kwamen ook het dak op, haalden de man weg en brachten de vlag weer naar halfstok. De hele scène werd gadegeslagen door de menigte beneden, die in woede ontstak. Auto’s moesten eraan geloven, de bouwvakkers klommen erop en begonnen te springen en ze begonnen tegen de deur van het stadhuis te beuken om binnen te komen. De vice-burgemeester koos eieren voor zijn geld en liet snel de vlag hijsen. Ogenschijnlijk spontaan begonnen de bouwvakkers beneden het volkslied te zingen. Ze klommen van de auto’s af, gingen op straat staan met de borst vooruit, deden hun helmen af en brachten de hand naar het hart. Als door een wonder was de rust weergekeerd en de vlag in ere hersteld. De Stars and Stripes was met geweld opgeëist door de voorstanders van de oorlog.

Dat de tegendemonstratie van de bouwvakkers niet spontaan was, maar vanuit de vakbonden was georganiseerd werd nog duidelijker toen de bonden hun leden bleven oproepen om hun patriottisme te uitten en de straat op te gaan. Om dat mogelijk te maken kregen de arbeiders langere lunchpauzes en versoepelde werktijden. De demonstraties die volgden in de weken na de Hard Hat Riot werden opgetuigd met cheerleaders en drumbands. De deelnemers hadden zonder uitzondering de Stars and Stripes op hun bouwhelm en ze liepen niet alleen met gigantische vlaggen maar ook met steunbetuiging voor president Nixon. “We support Nixon and Agnew: God bless the establishment” stond er zelfs op een groot spandoek. Het kan niet verder verwijderd zijn van de sentimenten die ruim 45 jaar later Trump in het zadel zouden helpen: boze witte mannen die openlijk het ‘establishment’ steunen en er de straat voor op gaan. Al was het veelzeggend dat er nauwelijks zwarte bouwvakkers meeliepen in de demonstraties. Zij zagen deze vlag toch nog duidelijk anders.

Op een ander vlak is er wel degelijk een parallel te trekken met de boze witte Trumpstemmers van 2016, want toen er een grote zogenaamd apolitieke demonstratie voor de “love of our country and respect for our country’s flag” werd georganiseerd en er minstens 100.000 bouwvakkers door de straten van Manhattan liepen zei Nixon dat deze arbeiders de zwijgende meerderheid vertegenwoordigden. Hij stelde ze vanzelfsprekend tegenover de luidruchtige minderheid van relschoppende studenten die tegen zijn beleid hadden durven te demonstreren.

Nixon onderkende dat de Hard Hat Riot en de demonstraties die erop volgden een belangrijke factor waren in zijn herverkiezing in 1972. Als dank benoemde hij de vakbondsleider die de demonstraties had opgezet tot minister van arbeid in zijn volgende kabinet.

De Stars and Stripes is de vlag van de Republikeinen

De Hart Hat Riot markeerde het moment waarop de Republikeinse Partij de vlag voor de komende veertig jaar opeiste. De linkse democraten raakten steeds meer vervreemd van het nationale symbool. Vooral Ronald Reagan heeft veel garen gesponnen door de vlag te gebruiken in zijn succesvolle Morning in America-campagne. Hij besloot zich tijdens zijn campagne voor herverkiezing in 1984 niet te richten op zijn tegenstander Walter Mondale, maar een positief beeld van ‘zijn’ Amerika te schetsen. Reagans campagnemanager zei bij een verkiezingsbijeenkomst waarbij mannen aan parachutes in de kleuren van de Stars and Stripes uit de hemel neerdaalden dat hij medelijden had met Mondale: “He is running against America”.

Aan het einde van de 20e eeuw was de vlag het symbool van het conservatieve Amerika dat door grote delen van de bevolking werd omarmd, maar door even zovele met argusogen werd bekeken. Want wat was nu belangrijker: de vlag of de waarden waar de vlag voor stond? De mensen die zich vooral richtten op de waarden vonden het geen probleem als tijdens protesten tegen het beleid van de regering vlaggen werden verbrand, terwijl dat voor veel conservatieven het ergste was wat je kon doen. Zij zagen dat niet als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting, maar vatten het op als een persoonlijke belediging. Hoe dan ook was het duidelijk dat de vlag niet voor elke Amerikaan hetzelfde betekende tot de terroristische aanslagen van 11 september 2001 een nieuwe golf van patriottisme op gang brachten. Duizenden Amerikanen, Democraten en Republikeinen, blank en zwart, hoger- en lager opgeleid hingen de vlag uit. Het land toonde zich eensgezind in het medeleven met de slachtoffers en de vlag leek even overal te zijn: aan antennes van auto’s, op treinen, bij mensen in de tuin en op de balkons, op de karretjes van straatverkopers, bij alle plekken waar slachtoffers werden herdacht en op Gound Zero zelf, waar tegenover de smeulende resten van het World Trade Center, op de plek waar amper veertig jaar eerder de bouwvakkers met gele helmen door de straat marcheerden, een enorme vlag aan de gevel werd gehangen van wel vijftien meter meter hoog. Maar de betekenis was nu heel anders dan tijdens de Hard Hat Riot.

De vlag werd het meest populaire item in de Verenigde Staten en de voorraden bij straatverkopers, postorderbedrijven en supermarkten raakten in sneltreinvaart uitverkocht. En niet alleen in Amerika zelf, maar over de hele wereld. Zo groot was de impact van de aanslagen en het gevoel dat iedereen solidair was met de Verenigde Staten. De Stars and Stripes stond niet alleen symbool voor Amerika, maar voor de totale Westerse beschaving. Zelfs mensen die de vlag in het verleden hadden verafschuwd en misschien zelfs hadden verbrand hingen hem nu uit, want die vlag stond weer voor eenheid. Net als bij de oprichting van de Verenigde Staten.

Het duurde echter maar een paar weken voordat de vlag langzaam maar zeker weer een oorlogssymbool werd. Direct na de aanslagen werd al een vergelijking gemaakt met de Japanse aanval op Pearl Harbour, de laatste keer dat Amerika op zijn eigen grondgebied was aangevallen. En net als toen verwachtten velen een stevige militaire reactie. President George Bush kondigde die al snel aan als de War on Terror. Nieuwszenders op televisie waren er als de kippen bij om er een logo voor te ontwerpen en de Stars and Stripes speelden daarin een prominente rol. Het werd al snel werd als onpatriottisch gezien om kritische vragen te stellen bij de beslissing van de regering om direct naar de wapens te grijpen.

In aanloop naar de Amerikaanse invasie van Irak in maart 2003 gingen mensen massaal met hun vlaggen de straat op. In New York werd er zelfs weer een demonstratie georganiseerd door de bouwvakkersvakbond bij Ground Zero, als een echo van de Hard Hat Riot. Ruim 15 000 demonstranten droegen leuzen als “We gave peace a chance, we got 9/11″ en “Support our troops”. Toch waren de demonstraties tegen militaire actie nog veel groter. Op 15 februari 2003 verzamelden wereldwijd in totaal 6 miljoen demonstranten zich tegen een Amerikaanse inval in Irak. Ook in de Verenigde Staten zelf waren honderden demonstraties, maar nergens was een Amerikaanse vlag te zien. Sommige mensen die wel vlaggen mee hadden genomen werden daar door mededemonstranten op aangesproken, want de vlag werd gezien als een symbool voor de oorlog. Het werd kennelijk in toenemende mate lastig om patriottisch en tegelijk kritisch te zijn.

De wet die de Amerikaanse regering verregaande bevoegdheden gaf om de eigen bevolking en buitenlanders te controleren en op te treden bij vermoedens van terrorisme werd niet voor niets de Patriot Act genoemd. In feite was het een grove inbreuk op de privacy van eigen onderdanen onder het mom van het landsbelang. De individuele vrijheid leek zo een van de grootste slachtoffers van de terroristische aanslagen te worden. Het nationale patriottisme had het in Amerika definitief gewonnen van de meer sociale uitleg. Obama probeerde nog iets te redden door de bevolking en diens twee patriottische opvattingen te verenigen in zijn campagne van 2008: “The men and women who serve our battlefields [..] fought together , and they bled together and some died together under the same proud flag. They have not served a red America or a blue America; they’ve served the United States of America.”

Voor sommigen was de verkiezing van Obama zelfs het eerste moment waarop het land echt als één voelde, omdat op dat moment de beloftes in de constitutie, zoals gelijkheid en individuele vrijheid, eindelijk hadden bewezen werkelijkheid te kunnen worden. In zijn overwinningsspeech roemde Obama “a new spirit of patriottism” waarin mensen voor elkaar moesten zorgen. Hij deed een duidelijke handreiking naar het nationalistische patriottisme dat van oudsher niet bij een Democraat paste. Hij riep de natie op om zich onder de vlag en de traditionele waarden van Amerika te verenigen. Het was een dappere poging, maar dat de vlag niet alleen kan verenigen, maar ook bij uitstek een middel is om mensen buiten te sluiten werd pijnlijk duidelijk toen alle hoop van sociaal Amerika in één keer de kop in werd gedrukt door de verkiezing van Donald Trump. Hij liet er met zijn verkiezingsleus Let’s Make America Great Again geen twijfel over bestaan welke vlag hij voerde: de vlag van America First.

Die klap dreunt ook ver buiten Amerika na. Ik kan me in elk geval niet herinneren dat patriottisme in de Nederlandse politiek ooit echt een issue was. En als er sprake was van patriottisme, dan meestal een milde, positieve vorm zoals die incidenteel de kop op stak op Koninginnedag en bij internationale voetbalwedstrijden. Maar misschien zal blijken dat Rita Verdonk zeven jaar geleden te vroeg gepiekt heeft met haar partij Trots op Nederland.

Mede door het succes van Trump is het nationaal patriottisme geëxporteerd. Wilders heeft het over een patriottische lente in Europa en scoort in de peilingen met zijn leus: ‘Nederland weer van ons.’ Premier Mark Rutte roept ons op om toch vooral normaal te doen, wat niets anders wil zeggen dan: gedraag je als Nederlander, en Buma pleit ervoor om het staand zingen van het Wilhelmus op scholen in te voeren. Daarmee galmt het nationale patriottisme duidelijk door in de Nederlandse politiek en geheel naar Amerikaans voorbeeld probeert links daar een meer sociaal patriottisme tegenover te stellen. Asscher noemde het progressief patriottisme en Jesse Klaver pleitte voor een nieuwe feestdag waarop de Nederlandse waarden centraal staan. Zo is patriottisme voor het eerst een onderwerp in de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart en misschien zelfs wel hét onderwerp.

Ik begon dit drieluik met onbegrip over de Amerikaanse voorliefde om de eigen vlag te pas en te onpas uit te hangen, terwijl wij daar zo veel nuchterder mee omgaan, maar intussen heeft de tijd en het patriottisme me ingehaald. De vlag dringt ook langzaam door in de Nederlandse samenleving. Zo zie je maar: alles uit Amerika komt uiteindelijk ook de grote plas over, al duurt het soms meer dan 200 jaar en is er kennelijk een schrikbeeld als president Donald Trump voor nodig.

 

Veel informatie heb ik uit het boek Capture The Flag van historica Woden Teachout.

De foto’s heb ik afgelopen september gemaakt toen ik mezelf tijdens mijn verblijf in Amerika de opdracht had gegeven om elke dag een vlag te fotograferen. Alle foto’s zijn gemaakt met een iPhone en de hele serie is te vinden op mijn Instagram account onder #aflagaday.

Leave a Reply