Als hij niet al twintig jaar dood was, zou mijn vader vandaag tachtig zijn geworden. Hij was zelf niet zo van het herdenken. Het leek hem niks om een graf te hebben waar zijn nabestaanden dan verplicht heen moesten en dat na verloop van tijd alleen nog maar schuldgevoelens zou oproepen omdat niemand tijd had om langs te gaan of de moeite nam om het te onderhouden. Hij wilde uitgestrooid worden, teruggegeven aan de natuur. Als je helemaal weg bent is het minder erg als je vergeten wordt.

Het liep anders. Zijn Portugese vrouw wilde toch ergens heen kunnen en ze liet een urn op de begraafplaats van Oeiras zetten. Op een heuvel met uitzicht op de Taag, dat had hij de laatste jaren van zijn leven vanuit zijn kleine appartement in Carcavelos immers ook gehad.

Het contact met mijn Portugese stiefmoeder verwaterde snel. Zij sprak geen Engels, laat staan Nederlands, en ik geen Portugees. Na mijn vaders dood ben ik nog maar een paar keer op de begraafplaats geweest. Er was een hokje met een nummer erop, verder bleef de steen waar de urn met de as van mijn vader achter stond kaal. Niks verwees naar hem, alleen dat nummer 1954.

Afgelopen zomer besloot ik mijn vaders as weer eens op te zoeken. Kijken hoe het er bij stond. Ik had de acht jaar dat ik er niet was geweest geen schuldgevoel gehad -wat dat betreft is het wel fijn dat Oeiras niet naast de deur ligt- maar mijn vader had wel gelijk: als er een herdenkingsplek is, dan moet je er toch af en toe heen. Ik had al eens bedacht dat ik mijn vaders as zou kunnen uitstrooien als zijn weduwe er niet meer was. Helemaal weg en opgeruimd, dat zou toch het meeste bij hem passen. Misschien moest ik de urn gewoon van de begraafplaats af smokkelen en hem de volgende dag uitstrooien in de zee, zijn oude liefde.

Maar dan moest ik de urn wel eerst terugvinden. Er waren in de buurt van Oeiras nogal wat mensen gestorven in de afgelopen jaren want nummer 1954 lag niet meer aan de rand, maar ergens halverwege. Ik vond hem na flink zoeken en herkende de steen niet direct. Er stond namelijk ineens iets op: ‘Frank Visbeen  N. 2-3-1937 F. 12-8-1966 Eterna saudade de sua mulher e filho.’ Die laatste, dat ben ik dus.

Na ruim twaalf jaar had iemand ineens besloten dat mijn vader daar niet langer anoniem in zijn urn kon staan en daardoor voelde het ook helemaal niet goed om de urn mee te nemen en mijn vader aan de zee te geven.

Toen ik wat beter keek viel me bovendien op dat de sterfdatum niet klopte. Hij was gestorven in 1996, niet in 1966. Er stond een slordige typefout op de steen van mijn vader. Zijn hele leven had hij zich opgewonden over de slordigheden en fouten van anderen en nu dit. Hij wilde al niet herdacht worden, maar zeker niet zo. Hij zou zich omdraaien in zijn graf, als hij er eentje had.

Mijn eerste impuls was om het recht te zetten. Dit moest teruggedraaid en verbeterd. Onderste steen boven om er achter te komen hoe dit kon gebeuren, dacht de erfelijk belaste perfectionist in mij. Maar al snel bedacht ik dat het eigenlijk ook wel heel mooi was om een controlfreak, die zijn hele leven doodsbang was voor fouten, op deze manier te herdenken: met een fout op zijn steen. Alsof de laatste dertig jaar van zijn leven er niet waren geweest. Alsof hij zijn zoon maar 9 dagen had gekend. Daarom heb ik ze maar laten staan, de urn en de fout ter ere van mijn vader.

Leave a Reply